Waardegedreven leiderschap of leiderschap in waardegedreven organisaties?

Hoe ontwikkelen leiders het vermogen om vanuit hun diepste drijfveren en idealen anderen mee te nemen in een beweging van verandering? En hoe ontstaat het bezielend leiderschap dat ons uit de vastgelopen systemen van onderwijs, zorg, economie, religie en politiek kan leiden naar nieuwe oplossingen, systemen en verbanden? Deze vragen willen Johan Bouwmeester en Marianne Luyer beantwoorden in hun nieuwe boek ‘Waardegedreven leiderschap, varen op het moreel kompas’. Op vrijdag 15 juni 2012 hebben zij het eerste exemplaar van hun boek aangeboden aan demissionair minister Spies van Binnenlandse Zaken.

Op de voorkant van het boek staat de fraaie Japanse houtsnede genaamd ‘de Grote Golf bij Kanagawa’. Met dit beeld willen de auteurs aangeven hoe een dreigende omgeving ons kan overspoelen als wij niet vasthouden aan ons innerlijk kompas. Onze waarden zijn namelijk niet langer gekoppeld aan instituties, zoals een kerk of politieke partij, maar worden steeds meer door het individu zelf bepaald. Vandaar dat zij als titel van hun boek hebben gekozen: ‘waardegedreven leiderschap’. Volgens de auteurs vereist dit waardegedreven leiderschap:

  • ­   moed om de eigen koers te varen;
  • ­   vermogen om zich te verbinden met de diepere lagen van jezelf en die van anderen;
  • ­   vormkracht ofwel het vermogen om verandering (bij mensen) op gang te brengen.

De gehanteerde definitie van leiderschap is: ‘het vermogen om te kijken en te luisteren, waar te nemen wat er gebeurt, zicht te hebben op waar het naar toe beweegt, dat onder woorden te brengen en daarnaar te handelen’. Vervolgens werken zij de vereisten voor waardegedreven leiderschap verder uit met een hoofdstuk per vereiste. In ieder hoofdstuk geven zij filosofische beschouwingen, doen zij verslag van hun gesprekken met een achttal bestuurders in het publieke domein en presenteren zij relevante theorieën van anderen, zoals de Theorie-U, de reis van de held en het begrip synchroniciteit. Door deze menging van persoonlijke ervaringen en abstracte beschouwingen worden theorie en praktijk van leiderschap mooi met elkaar verbonden.

Zo geeft één van de geïnterviewden een mooi voorbeeld van de benodigde consistentie tussen uit te dragen publieke waarden en zelf gehanteerde waarden. Bij de politie zijn belangrijke externe waarden: veiligheid en vertrouwen. Deze moeten terugkomen in de waarden van de interne organisatie omdat anders het totale waardesysteem niet klopt. En als het niet klopt voor de medewerkers dan kunnen zij dat ook niet naar het publiek uitdragen.

In hun boek presenteren de auteurs ook een model dat een relatie legt tussen het moreel kompas en de symbolische reis van de held. Hierin spelen de zogenaamde ‘kardinale deugden’ een belangrijke rol. De ‘kardinale deugden’ voor de leider zijn:

  • ­   behoedzaamheid en wijsheid om goed en kwaad te onderscheiden;
  • ­   rechtschapenheid om ieder het zijne te gunnen;
  • ­   zelfbeheersing om verleidingen te overwinnen;
  • ­   standvastigheid en daadkracht om om te gaan met tegenslagen en het noodlot.

De eigen ontwikkeling op deze kardinale deugden tijdens het levenspad gecombineerd met een helder waardebewustzijn vormt volgens de auteurs de essentie van waardegedreven leiderschap.

Naast een beschrijving van de kenmerken van goed leiderschap geeft het boek ook modellen voor persoonlijke ontwikkeling. Ook hier geven de persoonlijke bespiegelingen van de geïnterviewden een waardevolle aanvulling op de theorie. Zo geven de geïnterviewden aan dat hun keuze om te gaan werken in het publieke domein voortvloeide uit een diepgevoelde persoonlijke behoefte om een bijdrage te kunnen leveren aan de samenleving vanuit hun persoonlijke visie op de mens of de maatschappij. Dat is vaak een moedige keuze want de leiders stellen zich hierbij voortdurend bloot aan de grillige publieke opinie die genadeloos kan zijn voor het individu. Door trouw te blijven aan de eigen waarden en zich kwetsbaar te durven opstellen kan hiermee het beste worden omgegaan.

Een ander inzicht uit het boek dat hier het vermelden waard is, is dat publieke organisaties, zoals jeugdzorg- en onderwijsinstellingen, vaak geconfronteerd worden met zogenaamde ‘waardeconflicten’. De oplossingen voor waardeconflicten hebben als kenmerk:

  • ­   niet alles kan tegelijkertijd;
  • ­   er moet gekozen worden tussen appels en peren;
  • ­   er moet altijd een prijs worden betaald voor een keuze.

Voorbeelden van dit soort waardeconflicten in het publieke domein zijn: hoe verlenen wij de beste zorg aan multi-probleem gezinnen? of hoe verbeteren wij het onderwijs in achterstandsbuurten? Dit soort complexe problemen vraagt om complexe oplossingen en bij de keuzes die daarbij gemaakt moeten worden spelen de persoonlijke waarden van de leider altijd een doorslaggevende rol.

Hebben de auteurs de zichzelf gestelde vragen uit de inleiding beantwoord? Wat mij betreft wel voor de publieke sector, maar minder voor het bedrijfsleven. Veel van de gepresenteerde modellen zijn weliswaar ook toepasbaar voor leiders in het bedrijfsleven, maar het boek gaat toch vooral over drijfveren van publieke leiders en over kenmerken van publieke vraagstukken. De inhoud is dus minder generiek dan de titel doet vermoeden. Misschien had de titel van het boek beter kunnen luiden: ‘leiderschap in waardegedreven organisaties’. Want daarvoor is het een mooi boek met waardevolle inzichten!

Deze column is een bespreking van het recent verschenen boek ‘Waardegedreven leiderschap: varen op het moreel kompas’ van Johan Bouwmeester en Marianne Luyer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *